Leerlinggebonden financiering was een systeem in Nederland waarbij geld voor extra ondersteuning direct aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften werd toegekend, met als doel ouders keuzevrijheid te geven voor een school die deze zorg op maat kon bieden. Hoewel dit model grotendeels is vervangen door de Wet Passend Onderwijs, vormt het concept van leerlinggerichte ondersteuning nog steeds een belangrijke basis voor specifieke regelingen binnen het onderwijs.
Op deze pagina verdiepen we ons in de definitie, de historische wet- en regelgeving en de actuele toepassing van leerlinggebonden financiering, inclusief de voorwaarden, indicatiestelling en de verschillende financieringsmodellen. Ook de rol van ouders, veelgestelde vragen, en de relatie met lumpsum financiering en zakelijke financiering voor onderwijsinstellingen komen uitgebreid aan bod.
Leerlinggebonden financiering, ook wel bekend als het ‘rugzakje’, was een subsidiemodel in Nederland dat specifiek geld toekende aan leerlingen met bijzondere onderwijsbehoeften, met als doel extra ondersteuning mogelijk te maken. Het maakte het in Nederland vanaf 1998 mogelijk om kinderen met beperkingen in het regulier onderwijs te plaatsen, waarbij ouders op basis van een onafhankelijke indicatiestelling konden kiezen voor zorgondersteuning binnen dat reguliere onderwijs. Het primaire doel van dit systeem, dat in 2003 verder vorm kreeg met het beleidsplan “De rugzak”, was om ouders meer keuzevrijheid te bieden en tegelijkertijd scholen in de buurt te stimuleren adequate zorg en ondersteuning te leveren, om zo de toestroom naar het speciaal onderwijs te verminderen. Voor het voortgezet onderwijs trad in 2003 specifiek de Wet leerlinggebonden financiering (LGF-wet) in werking om deze regeling te formaliseren.
De wet- en regelgeving rondom leerlinggebonden financiering heeft in Nederland een belangrijke transformatie ondergaan. Hoewel het systeem van de leerlinggebonden financiering, ook wel het ‘rugzakje’ genoemd, in 1998 werd geïntroduceerd en in 2003 verder vorm kreeg via het beleidsplan “De rugzak” en de Wet leerlinggebonden financiering (LGF-wet) specifiek voor het voortgezet onderwijs, is deze regeling later door de Wet Passend Onderwijs afgeschaft. Desondanks blijven de principes van leerlinggerichte ondersteuning leidend, wat resulteert in voortdurende aanpassingen; zo wordt sinds 5 april 2023 de wet- en regelgeving rondom zorg in onderwijstijd aangepast om de financiering voor leerlingen in het speciaal onderwijs eenvoudiger te organiseren. Een ander actueel aspect is dat schoolfinanciering en de werkelijke onderwijsaanwezigheid van een leerling, zoals bij leerlingen die onderwijs volgen op een zorgboerderij, sinds 2022 nauwkeurig moeten overeenkomen om financiële congruentie met de feitelijke situatie te waarborgen.
De leerlinggebonden financiering stelde scholen in staat om gerichte ondersteuning te bieden aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, direct binnen het reguliere onderwijs. Voor scholen betekende de toepassing van dit systeem dat zij financiële middelen ontvingen, gekoppeld aan de individuele indicatie van een leerling, om hun onderwijs en leeromgeving aan te passen. Dit stimuleerde scholen om expertise op te bouwen en specifieke voorzieningen te creëren, zodat zij zorg op maat konden leveren en tegelijkertijd de uitstroom naar het speciaal onderwijs konden verminderen. Voor leerlingen betekende de leerlinggebonden financiering de concrete mogelijkheid om, ondanks hun specifieke behoeften, binnen het regulier onderwijs te blijven en daar de noodzakelijke extra begeleiding of hulpmiddelen te ontvangen. Dit bevorderde hun inclusie en bood ouders de vrijheid om een school te kiezen die het beste aansloot bij de ondersteuningsvraag van hun kind, zonder dat dit de reguliere schoolbegroting direct beïnvloedde.
De leerlinggebonden financiering kende strikte voorwaarden en een gedetailleerde indicatiestelling om te bepalen of een leerling in aanmerking kwam voor extra ondersteuning. De centrale voorwaarde was dat de financiering specifiek bedoeld was voor kinderen met beperkingen, om zo hun plaatsing in het regulier onderwijs mogelijk te maken, zoals ingevoerd vanaf 1998 in Nederland. Deze onafhankelijke indicatiestelling was cruciaal, zoals geformaliseerd in het beleidsplan “De rugzak” uit 2003, en stelde ouders in staat om zorgondersteuning binnen het reguliere onderwijs te kiezen op basis van de vastgestelde behoefte. Het individueel toegekende budget bleef leerlinggebonden, zelfs als de leerling van groep wisselde of afwezig was, wat de continuïteit van de ondersteuning waarborgde. Hoewel dit systeem, inclusief de bijbehorende indicatiestelling, inmiddels is afgeschaft door de Wet Passend Onderwijs, onderstreepte het het belang van een zorgvuldige vaststelling van de specifieke onderwijsbehoeften van een kind.
De kern van leerlinggebonden financiering manifesteerde zich historisch gezien in Nederland voornamelijk via het zogeheten ‘rugzakje’-model. Dit financieringsmodel voorzag leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften van een individueel budget, dat direct aan hen was gekoppeld. Dit stelde ouders in staat om een school te kiezen die het beste bij de ondersteuningsvraag van hun kind paste, waarbij het geld meeging naar de gekozen onderwijsinstelling. Het doel was om scholen te stimuleren zorg op maat te bieden en zo de inclusie in het regulier onderwijs te bevorderen, bijvoorbeeld door de inzet van extra begeleiders of specifieke leermiddelen die door dit budget werden gefinancierd.
Hoewel het ‘rugzakje’ in zijn oorspronkelijke vorm door de Wet Passend Onderwijs is afgeschaft, leven de principes van leerlinggerichte ondersteuning voort in diverse hedendaagse regelingen. Een prominent voorbeeld hiervan is de financiering die scholen ontvangen via samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs. Hoewel dit geen directe leerlinggebonden financiering meer is, blijven de middelen via deze weg gericht op het voorzien in gespecialiseerde begeleiding en aangepaste onderwijsomgevingen, wat de intentie van het oorspronkelijke model voortzet op een meer collectieve en regionale basis.
De rol van ouders bij het regelen van leerlinggebonden financiering was voorheen cruciaal en proactief. Voordat de Wet Passend Onderwijs het systeem van het ‘rugzakje’ afschafte, moesten ouders van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften zelf de financiering voor hun kinderen regelen. Dit gaf ouders de belangrijke keuzevrijheid om een school te selecteren die de best passende zorg en ondersteuning kon bieden, waarbij het individuele budget direct met het kind meeverhuisde naar de gekozen instelling. Buiten het maken van deze essentiële schoolkeuze, hadden ouders ook de verantwoordelijkheid om aanvullende financiële afspraken vast te leggen, bijvoorbeeld over de betaling van schoolgeld en studiematerialen, om zo de totale onderwijskosten te dekken. Dit onderstreepte de actieve betrokkenheid van ouders in zowel de pedagogische als de financiële aspecten van de speciale onderwijsbehoeften van hun kind.
Het ‘rugzakje’ was de gangbare, informele benaming voor de leerlinggebonden financiering, een subsidiemodel dat in Nederland in 1998 werd geïntroduceerd en verder vorm kreeg met het beleidsplan “De rugzak” uit 2003. Dit concept hield in dat er een individueel budget direct gekoppeld was aan een leerling met specifieke onderwijsbehoeften. In tegenstelling tot geld dat rechtstreeks naar ouders ging, ontving de school het geld van het rugzakje, waardoor zij de mogelijkheid kreeg om extra ondersteuning op maat te bieden binnen het reguliere onderwijs. Het doel was om ouders de keuzevrijheid te geven voor een school die het beste aansloot bij de zorgvraag van hun kind, en tegelijkertijd scholen in de buurt te stimuleren gespecialiseerde zorg te leveren om de toestroom naar het speciaal onderwijs te verminderen.
De indicatiestelling voor leerlinggebonden financiering, een historisch proces dat door de Wet Passend Onderwijs inmiddels is afgeschaft, omvatte een zorgvuldige procedure om de specifieke onderwijsbehoeften van een kind vast te stellen. Dit traject werd uitgevoerd door externe deskundigen, zoals vanuit een Regionaal Expertisecentrum (REC) of vergelijkbare instanties, wat de onafhankelijkheid van de beoordeling waarborgde. Deze specialisten voerden een multidisciplinair onderzoek uit, waarbij pedagogische, psychologische en soms medische aspecten werden meegenomen om een compleet en gedetailleerd beeld te vormen van de ondersteuningsvraag. Het resultaat was een individuele indicatie en een bijbehorend budget, waarmee ouders de keuzevrijheid kregen om een geschikte school te selecteren die de benodigde zorg op maat binnen het reguliere onderwijs kon bieden. Deze aanpak was gericht op objectiviteit en het faciliteren van inclusie.
Hoewel de specifieke leerlinggebonden financiering (het ‘rugzakje’) is afgeschaft en de directe keuzevrijheid van ouders voor een school met individuele financiering is omgezet in meer collectieve verantwoordelijkheden via de Wet Passend Onderwijs, blijven de principes van leerlinggerichte ondersteuning de basis vormen voor belangrijke rechten van ouders en leerlingen. Zij hebben de gelegenheid om mee te praten en mee te beslissen in multidisciplinair overleg over de ondersteuning van hun kind. Ouders van leerlingen met speciale onderwijsbehoeften hebben tevens het recht om te overleggen met de school over mogelijke ondersteuning en worden door leraren als waardevolle samenwerkingspartners gezien. Daarnaast moet de school ouders informeren over hoe hun kind functioneert en welke ondersteuning wordt geboden, en hen uitnodigen voor gesprekken, bijvoorbeeld over pestincidenten, wat zorgt voor transparantie en actieve betrokkenheid bij het onderwijstraject.
De belangrijkste wijzigingen die de Wet Passend Onderwijs, ingevoerd op 1 augustus 2014, met zich meebracht, waren gericht op het garanderen van een passende onderwijsplek voor ieder kind. Een fundamentele verandering was de afschaffing van de leerlinggebonden financiering (het ‘rugzakje’), waarbij de verantwoordelijkheid voor het bieden van extra ondersteuning direct bij scholen en de daartoe opgerichte samenwerkingsverbanden kwam te liggen. Dit betekende een accentverschuiving van medisch labelen van kinderen naar onderwijsondersteuning gebaseerd op hun daadwerkelijke behoeften. Scholen kregen een zorgplicht om elke ingeschreven leerling de meest passende vorm van onderwijs aan te bieden, waarbij het principe ‘regulier als het kan, speciaal als het moet’ leidend is. Indien een school zelf geen passend onderwijs kan bieden, moet zij ouders een alternatief passend onderwijsaanbod voorstellen binnen het samenwerkingsverband, dat verplicht is een ondersteuningsplan op te stellen. Als verdere versterking van de positie van ouders en leerlingen, zal per 1 augustus 2025 de ‘Wet versterking positie ouders en leerlingen in passend onderwijs’ bovendien een hoorrecht voor leerlingen introduceren en het schoolondersteuningsprofiel doen vervallen, waarbij het ondersteuningsaanbod in de schoolgids wordt opgenomen.
Onder de historische leerlinggebonden financiering (het ‘rugzakje’) bleef het individueel toegekende budget direct gekoppeld aan de leerling. Dit betekende dat het geld meeverhuisde als de leerling van school wisselde of afwezig was, om de continuïteit van de ondersteuning te waarborgen. Dit systeem, dat ouders keuzevrijheid gaf, is echter vervangen door de Wet Passend Onderwijs.
Momenteel, binnen de kaders van Passend Onderwijs, is de financiering niet meer direct aan de individuele leerling gekoppeld op dezelfde wijze. Wanneer een leerling van school wisselt, draagt het samenwerkingsverband de verantwoordelijkheid voor het bieden van passend onderwijs over aan het nieuwe samenwerkingsverband of de nieuwe school. Bij afwezigheid van een leerling is het van cruciaal belang dat de schoolfinanciering en de werkelijke onderwijsaanwezigheid van de leerling nauwkeurig overeenkomen, een principe dat sinds 2022 expliciet wordt gehandhaafd. Scholen ontvangen immers geld voor het onderwijs dat zij feitelijk leveren. Indien een leerling afwezig is van school voor meer dan 16 uur in 4 weken, is de school verplicht dit te melden aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) om financiële congruentie te verzekeren en onrechtmatige financiering voor niet-geleverd onderwijs te voorkomen. Dit kan zelfs leiden tot een vermindering van het schooljaarbudget dat is toegewezen aan groepen, als leerlingen structureel niet meer meedoen. Voor schooluitvallers in een terugleidingstraject verschuift de financiering bovendien geleidelijk van voornamelijk zorg naar onderwijsgelden, ondersteund door zorggeld in fase 3, wat de focus op terugkeer naar school benadrukt.
Lumpsum financiering in het onderwijs vormt de huidige standaard voor de bekostiging van scholen en heeft een fundamentele verschuiving teweeggebracht ten opzichte van de voormalige leerlinggebonden financiering. Waar de leerlinggebonden financiering (het ‘rugzakje’) een individueel budget direct aan de leerling met specifieke onderwijsbehoeften koppelde, ontvangen onderwijsinstellingen in Nederland nu een ‘lumpsum’ – één totaalbudget – voor alle kosten, inclusief personeel en materieel zoals leermiddelen en onderhoud. Dit betekent dat de overheid, via het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), scholen in het basisonderwijs en speciaal onderwijs jaarlijks een vastgesteld bedrag per kalenderjaar toekent, waarbij de exacte hoogte afhankelijk is van de aanvraag en het aantal leerlingen.
De relatie tussen lumpsum financiering en de historische leerlinggebonden financiering is er één van vervanging en een verschuiving in verantwoordelijkheid. Sinds de afschaffing van de leerlinggebonden financiering door de Wet Passend Onderwijs, zijn scholen zelf verantwoordelijk voor de allocatie van de lumpsum middelen om passende ondersteuning te bieden aan álle leerlingen. Zo financiert de lumpsum financiering basisonderwijs en speciaal onderwijs leerlingen in onderbouw en bovenbouw sinds 1 januari 2023 voor hetzelfde bedrag ongeacht leeftijd, en is er geen correctie meer voor de gemiddelde leeftijd van leraren op school. Dit collectieve model, waarbij het Wetsvoorstel Vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs een basisbedrag per leerling en per school introduceert en personele en materiële bekostiging samenvoegt tot één lumpsum, dwingt scholen tot het maken van autonome keuzes over de inzet van middelen voor onderwijsondersteuning, in plaats van te werken met individueel gekoppelde budgetten.
Onderwijsinstellingen functioneren als zakelijke ondernemingen en kunnen, naast de publieke lumpsum financiering, ook gebruikmaken van zakelijke financiering om diverse behoeften te dekken. Deze financieringsmogelijkheden vullen de reguliere bekostiging aan, die vaak gericht is op dagelijkse operationele kosten en minder flexibiliteit biedt voor grote investeringen of snelle groei. U kunt hierbij denken aan het financieren van investering in zakelijk onroerend goed, zoals de bouw van nieuwe lokalen of de renovatie van schoolgebouwen, of het verkrijgen van extra werkkapitaal om onverwachte kosten op te vangen of uitbreidingsplannen te realiseren. Hoewel de vroegere leerlinggebonden financiering specifiek gericht was op individuele ondersteuning, stelt zakelijke financiering onderwijsinstellingen in staat om bredere strategische doelen te verwezenlijken en zo de gehele onderwijskwaliteit en -infrastructuur te verbeteren. Deze financieringen zijn beschikbaar via verschillende geldverstrekkers, waaronder reguliere grootbanken en gespecialiseerde financieringsmaatschappijen.
Binnen de Nederlandse studiefinanciering, primair voor het hoger onderwijs en aangeboden door DUO, onderscheiden we de rentedragende lening en het collegegeldkrediet, die elk een eigen functie hebben. Het collegegeldkrediet is specifiek ontworpen voor het betalen van uw collegegeld en kan nooit een hoger bedrag zijn dan het daadwerkelijke collegegeld dat u moet voldoen. Deze component van de studiefinanciering moet u na uw studie, net als andere leningen, terugbetalen inclusief de opgebouwde rente. De algemene rentedragende lening, vaak simpelweg ‘studielening’ genoemd, is bedoeld om extra geld te lenen voor andere studiekosten, zoals boeken, leefgeld, of verblijfskosten, en staat los van de directe financiering van het collegegeld. Beide leningen zijn componenten die u in staat stellen uw opleiding te bekostigen, maar beide moeten na het afronden van uw studie met rente worden terugbetaald, wat bijdraagt aan uw totale studieschuld.